Auteur | Maxim ter Hedde en Ayrin van Dal-Peters
Telefoonnummer | Maxim: 06 - 10 56 19 57 - Ayrin: 06 - 30 17 24 38
Datum | 21-06-2020

Maakt meer territoriale congruentie regionale samenwerking beter?

Gemeenten werken op verschillende beleidsterreinen met elkaar samen. Dit doen zij niet altijd met dezelfde partners. Immers, er bestaat niet zoiets als ‘Dé regio’. De mate van diversiteit in samenwerkingspartners verschilt eveneens. Sommige gemeenten werken vaker met dezelfde partners dan met andere. Dat werpt de vraagt op of territoriale congruentie leidt tot méér effectiviteit en efficiency in regionale samenwerking?

Definitie territoriale congruentie

In toenemende mate werken gemeenten met elkaar samen, omdat maatschappelijke opgaven de eigen gemeentegrens overstijgen. De mate waarin gemeenten met dezelfde groep gemeenten samenwerkt, wordt in een zogenoemde percentage ‘territoriale

congruentie’ uitgedrukt. Een hoog percentage geeft dus aan dat een gemeente vaak met dezelfde buurgemeenten samenwerkt. Een laag percentage duidt erop dat een gemeente meer verschillende samenwerkingspartners heeft.

De samenwerkingspartners zijn meestal maar ten dele te kiezen. Vaak is het al per taak of opgave bepaald door de wet of ingegeven door de geografische ligging. Dit leidt in de praktijk tot een divers beeld als het gaat om samenwerkingspartners. Voor de ene gemeente is er sprake van een onoverzichtelijke lappendeken en voor een andere gemeente is de groep gemeenten met wie wordt samenwerkt vaak min of meer hetzelfde.

Territoriale congruentie in cijfers

Om dit te illustreren volgt hieronder een vereenvoudigd rekenvoorbeeld voor de gemeente Den Haag, gebaseerd op drie regio-indelingen:

  1. AWBZ Zorgkantoren
  2. GGD-regio’s
  3. Jeugdzorgregio’s (2015)

Den Haag werkt binnen deze drie regio-indelingen samen met acht gemeenten: Wassenaar, Rijswijk, Zoetermeer, Leidschendam-Voorburg, Westland, Pijnacker-Nootdorp, Delft en Midden-Delfland. Voor elk van de acht gemeenten wordt gekeken naar hoe vaak Den Haag met deze gemeente samenwerkt. In dit voorbeeld is dat maximaal drie keer. Percentagegewijs ziet dat er als volgt uit:

  • Den Haag werkt in 2 van de 3 regio-indelingen samen met de gemeente Wassenaar: 2 / 3 * 100 = 66.6 %.
  • Den Haag werkt in 1 van de 3 regio-indelingen samen met de gemeente Westland: 1 / 3 * 100 = 33.3 %.
  • Den Haag werkt in 1 van de 3 regio-indelingen samen met de gemeente Delft: 1 / 3 *100 = 33.3 %.

Dit is berekend voor alle 8 gemeenten met wie Den Haag samenwerkt. Het gemiddelde percentage dat hieruit volgt is het congruentiepercentage van Den Haag. In dit voorbeeld komt dat uit op 50 %.

Congruentiekaart

In onderstaande figuur is het congruentiepercentage van een aantal regio’s in Nederland weergegeven in een congruentiekaart[1], uitgaande van de samenwerking op het samenhangende gebied van sociaal domein, zorg en woningmarkt.

 

Op deze kaart is te zien dat in Friesland en Leiden/Bollenstreek een relatief hoge territoriale congruentie bestaat voor de geselecteerde samenwerkingsverbanden. De rest van Nederland kent wat dat betreft een lage territoriale congruentie. De vraag is nu of territoriale congruentie een relatie kent met effectiviteit (doeltreffendheid) en efficiency (doelmatigheid) in de taakuitvoering van de betreffende samenwerkingsverbanden. Gaat regionale samenwerking in Friesland en Leiden/Bollenstreek significant beter dan in de Achterhoek of Midden-Brabant? Daar laten wij graag een hypothese op los.


[1] Bron: ministerie van BZK / RegioAtlas

 

 

Doeltreffendheid op strategisch, tactisch en operationeel niveau

Laten we beginnen met de doeltreffendheid: halen gebieden met een hoger congruentiepercentage betere maatschappelijke rendementen? En daarbij gaan we er voor het gemak vanuit dat er een hoge mate van overlap of samenhang is tussen het collectieve rendement van het samenwerkingsverband als geheel en het individuele rendement van de individuele deelnemers. Om die vraag te beantwoorden maken we een onderscheid tussen strategische, tactische en operationele doelen. We veronderstellen dat een hoge mate van territoriale congruentie een positief effect kan hebben op de te bereiken strategische doelen van een samenwerkingsverband. Immers, het bereiken van strategische doelen vraagt onder meer om een integrale aanpak, meerjarig commitment, goed lobbywerk en het creëren van synergievoordelen (economies of scope). De kans om dit succesvol invulling te geven achten wij groter in een bestendige coalitie van gemeenten dan in steeds wisselende samenstellingen. Daarom gaan wij ervan uit dat territoriale congruentie een positief effect heeft op de doeltreffendheid van een samenwerkingsverband op strategisch niveau.

Op tactisch niveau lijkt de samenhang met territoriale congruentie minder evident. Op dit niveau gaat het vaak om inrichtingsvraagstukken: bijvoorbeeld het delen en ontsluiten van kennis en informatie, het afdekken van financiële risico’s, het gezamenlijk inkopen van diensten of producten et cetera. Dit vraagt onder meer om zorgvuldige processen en de aanwezigheid van de benodigde kennis en expertise, hetgeen niet noodzakelijkerwijs beter of slechter is in gebieden met méér territoriale congruentie.

 Op operationeel niveau lijkt er zo mogelijk nog minder samenhang. Denk hierbij aan het afgeven van vergunningen, het gezamenlijk organiseren van ICT- of HRM-taken, het uitvoeren van handhavingstaken et cetera. Andere factoren dan territoriale congruentie zijn in onze beleving veel méér bepalend of een samenwerkingsverband op operationeel niveau al dan niet effectief is. Wél is het denkbaar dat op operationeel niveau de doelmatigheid (efficiency) gebaat is bij méér territoriale congruentie, indien daardoor meer schaalvoordelen zijn te realiseren. Bijvoorbeeld doordat ondersteuningsfuncties uniformer en structureler kunnen worden ingericht. Daar staat tegenover dat bij een lage territoriale congruentie mogelijk eerder gekozen wordt voor een gastheerconstructie in plaats van een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie. En dit betekent in de praktijk met enige regelmaat dat de werkelijke kosten van ondersteuning niet volledig in rekening worden gebracht bij alle afnemers, ingegeven door een verantwoordelijkheidsgevoel van de gastheer of centrumgemeente, waardoor er voor de een wat meer en de ander wat minder efficiencywinst is.

Samengevat schatten wij in dat de kans op een positief effect van territoriale congruentie in de praktijk het grootst is bij het bereiken van strategische doelen, dat deze kansen in mindere mate aanwezig zijn bij het realiseren van tactische doelen en nog minder bij het verwezenlijken van operationele doelen.

Voor- en nadelen in theorie

In bovenstaande tabel beoordelen wij op verschillende kenmerken de situatie van een hoge en lage territoriale congruentie, zonder overigens naar volledigheid te streven. 

Een hoge territoriale congruentie biedt een aantal kansen, onder meer omdat dezelfde spelers elkaar vaker tegenkomen en daarmee relaties intensiever zijn. Er deals kunnen worden gesloten waarbij de ene keer de één wat meer wint en de andere keer een andere partij. Of waarbij uitruilmogelijkheden zijn (win-win), waarbij er voor de buitenwereld een duidelijker aanspreekpunt is (wie zijn de spelers of de boegbeelden), besluitvormingsprocessen op een eenduidigere manier kunnen worden georganiseerd en daarmee samenhangend ook bijvoorbeeld de terugkoppeling naar gemeenteraden et cetera.

En tegelijkertijd kan een hoge mate van congruentie allerlei hindernissen opwerpen.  Bestuurlijk gedoe in het ene dossier kan eenvoudig doorwerken naar andere domeinen en er kan sneller een sentiment komen van ‘zo doen wij dat’ waardoor er minder ruimte is voor verandering of vernieuwing of voor het geven van kritische feedback. Kostenreductie is noch in een gebied met hoge noch met lage congruentie een vanzelfsprekendheid.

De complexiteit van de praktijk

In de praktijk spelen ook allerlei andere elementen mee, die het beeld complexer maken. Een voorbeeld is het cafetariamodel. Wanneer binnen een hoog congruent samenwerkingsverband een cafetariamodel wordt gehanteerd, met een klein basistakenpakket dat voor alle deelnemers gelijk is (standaard) en veel optionele producten en diensten (maatwerk), wordt het beoogde voordeel van samenwerking

vaak weer tenietgedaan. De kosten lopen eerder op dan af, net als de kansen op het bereiken van één gezamenlijk maatschappelijk doel. Wij verwachten echter dat de kans op het toepassen van een cafetariamodel door gemeenten als praktischer wordt gezien in regio’s met een lage territoriale congruentie, omdat dit meer recht doet aan de verschillen tussen aanpalende beleidsgebieden. Een ander element dat van belang is voor het optimaal gebruikmaken van territoriale congruentie heeft betrekking op de invulling van informele overlegstructuren, buiten een afzonderlijk samenwerkingsverband om. Met een hogere territoriale congruentie zijn bijvoorbeeld regionale college-overleggen en het bundelen van portefeuillehouderschappen op aanpalende beleidsterreinen een efficiënte manier om de regionale besluitvorming te organiseren. Er is dan minder doorloop- en coördinatietijd nodig binnen de afzonderlijke colleges en daardoor tussen de deelnemers onderling om tot consensus te komen. Dit zorgt voor minder bestuurlijke drukte. Bij een lage mate van territoriale congruentie vergen wijzigingen in regionale afspraken meer afstemming binnen de colleges van B&W van deelnemers. De verschillen in beleidsrichtingen tussen verschillende samenwerkingsverbanden worden dan eerder binnen de collegekamers ‘uitgevochten’.

En dat is nog maar een greep uit elementen die de praktijk complexer maken dan de theorie.

Hypothese

We zien dat een hoge mate van territoriale congruentie weliswaar een betere basis kan bieden voor een hoger doelbereik, in elk geval op strategisch niveau, en het biedt diverse kansen. Vanuit dat perspectief is het streven naar meer territoriale congruentie wenselijk. Maar het is zeker niet zaligmakend en allesbepalend. Er is immers geen enkele garantie dat regionale samenwerking daarmee ook daadwerkelijk effectiever en efficiënter wordt. Er spelen veel meer factoren mee die bepalend zijn voor een doeltreffende en doelmatige samenwerking. Dus onze hypothese is dat een hoge mate van territoriale congruentie regionale samenwerking niet automatisch leidt tot betere samenwerking. Friesland, Leiden/Bollenstreek doen het op grond daarvan niet per se beter dan de regio’s in de rest van Nederland. Het zou de moeite waard zijn om deze hypothese met empirisch onderzoek te toetsen.

Herkenning? Verbazing? Interesse?

Mocht je na het lezen van dit artikel je verhaal willen delen, nieuwsgierig zijn geworden naar de bijdrage die wij u kunnen leveren of naar de opdrachten die KokxDeVoogd uitvoert, dan nodigen wij je van harte uit contact op te nemen.